
Poker Woordenboek
Ace: De hoogste kaart in een poker spel.
Action: Wat een speler kan doen indien hij/zij aan de beurt is. De mogelijkheden zijn: Fold, Check, Bet, Call of Raise.
Active Player: Een speler die actief in de pot betrokken is en in de gelegenheid is geld in te zetten.
Allin: Wanneer al je geld in de pot zit.
Ante: Inzetten voordat er gedeeld is.
Bad Beat: De pot verliezen ondanks dat je erg sterke kaarten in handen hebt.
Bet: De hoeveelheid geld die door de verschillende spelers in de pot wordt gedaan tijdens een inzetronde.
Betting Round: Een ronde waarin alle spelers aan de tafel een actie doen: Check, Bet, Raise of Fold.
Blind: Een zogenoemde gedwongen of verplichte inzet moet gedaan worden voordat de eerste kaart wordt vrijgegeven. De inzet wordt blind gedaan omdat geen enkele kaart nog getoond is. In alle spellen met gemeenschappelijke kaarten wordt de Blind gedaan door de speler of spelers links van de dealer button.
Board: 5 kaarten die open worden gedeeld vanuit het midden van de tafel en de functie vervullen van zogenaamde gemeenschappelijke kaarten voor alle spelers. Een Board vinden we terug in alle Hold'em en Omaha spellen.
Button: Een markering die gebruikt wordt om de speler aan te wijzen die de rol van dealer op zich neemt.
Buyin: Geld dat gebruikt wordt om in een spel mee te doen dan wel mee te doen met een toernooi.
Call: Meegaan met de inzet die de laatste speler heeft gedaan of verhoogd.
Capped: Tot het maximum verhogen in een limietspel.
Check: Niet inzetten als jij aan de beurt bent.
Community Cards: De kaarten die open worden gelegd in het midden van de tafel en door alle spelers worden gebruikt.
Deck: Een spel kaarten, met 52 kaarten (aas, 2 - 10, boer, vrouw, koning en alles 4 x in schoppen, harten, ruiten of klaver).
Deuce: De laagste kaart (2) in bijna alle poker spellen.
Draw Poker: Een poker spel waarin de spelers 5 gesloten kaarten krijgen.
Flop: De eerste 3 gemeenschappelijke kaarten die open op tafel worden gelegd in Hold'em en Omaha spellen. De Flop opent de tweede inzetronde.
Flush: 5 kaarten van dezelfde kleur (soort).
Fold: Je kaarten weggooien als een speler een Bet heeft gedaan.
Four of a Kind: 4 kaarten van dezelfde rang.
Fourth Street: De vierde gemeenschappelijke kaart op tafel, ook wel Turn genoemd.
Full House: Een kaartcombinatie die bestaat uit een paar en 3 van dezelfde soort.
Gut Shot: 4 kaarten voor een Straat met een 'gat in het midden'.
Hand: De 5 kaarten die de best mogelijke kaartcombinatie opleveren.
Hold'em: Een spel waarbij de speler 2 gesloten kaarten krijgt; daarna worden 5 gemeenschappelijke gedeeld. De hoogste Hand wint.
Hole Card: De gesloten kaarten die voor de spelers op tafel liggen.
Kicker: De extra kaart die gebruikt wordt om een gelijkspel te (door)breken.
Loose Game: De beschrijving van een spel (een speler-tafel-samenstelling)waarin de meerderheid van de spelers vele Hands spelen en betrokken zijn in veel potten.
Lowball: Een poker variant waarin de beste Lo Hand in de Showdown wint.
Muck: De afvalstapel met kaarten op de tafel.
Nuts: De best mogelijke Hand die je kunt hebben, gezien de kaarten die op tafel liggen.
Off Suit: 2 startkaarten van verschillende kleur/soort.
Omaha: Een spel waarbij de speler 4 gesloten kaarten krijgt; daarna worden 5 gemeenschappelijke kaarten gedeeld. De hoogste Hand wint.
Opener: De speler die als eerste tijdens een inzetronde een inzet plaatst.
Outs: Het aantal kaarten dat nog in het deck zit, de kaarten die de beste Hand geven. Overcard: Een kaart die hoger is dan alle andere kaarten die op tafel liggen.
Pair: 2 kaarten van dezelfde rangorde.
Pat Hand: Alleen een term voor Draw poker, waarbij je een gemaakte 5-kaart Hand hebt, zodat je geen kaarten meer wisselt.
Pot: Het geld dat op tafel ligt, waarom in een Hand gestreden wordt.
Pot Odds: De grootte van de inzet in verhouding tot de grootte van de pot.
Quit: Je verlaat het spel.
Raise: De inzet verhogen.
Rake: De tax of het aandeel dat uit elke pot naar het huis (bijvoorbeeld het casino) gaat.
Reraise: Nog een keer verhogen, nadat iemand anders al een Raise heeft gedaan.
River: De laatste kaart die gedeeld wordt in Hold'em, Omaha en Stud spellen.
Rush: De droom van iedere poker speler. Verschillende Hands winnen in een relatief korte tijd.
See a Bet: Synoniem voor Call.
Showdown: Als na de River de kaarten opengaan om te kijken wie de beste Hand heeft en de pot wint.
Slowplay: Iemand op slinkse wijze met de verliezende Hand de pot inlokken, het liefst voor al zijn geld.
Straight: Een Hand van 5 opeenvolgende kaarten, maar niet allemaal in dezelfde kleur/soort.
Straight Flush: Een Hand van 5 opeenvolgende kaarten, allemaal in dezelfde kleur/soort.
Stud Poker: Een speltype waarin iedere speler een deel van zijn kaarten open krijgt en het andere deel gesloten.
Suited: Kaarten van dezelfde kleur/soort.
Three of a Kind: 3 kaarten van dezelfde rang, bijvoorbeeld 3 azen.
Tight Game: Als je een laag percentage Hands speelt; een spel met weinig actie.
Trips: Synoniem voor Three of a kind.
Turn: De vierde gemeenschappelijke kaart op tafel in Hold'em spellen.
Two Pairs: Een Hand die bestaat uit twee verschillende pairs.
Wired Pair: Een gesloten pair in de beginnende Hand.
















